Geschiedenis is wat er aan persoonlijke herinneringen van overblijven.
Van de 16 interviews die Thersites afnam met vooraanstaande getuigen vind je op deze pagina een korte trailer en een volledige, uitgeschreven versie. Klik op de foto’s en je krijgt telkens een ander verhaal.
“Je zat er met open mond naar te kijken.”
Roger Arteel schrijft al bijna veertig jaar over wat er op de Vlaamse en de buitenlandse podia te zien is.
Sinds begin jaren zeventig is hij theaterrecensent geweest voor Knack en Radio 2. Arteel publiceerde in 2002 Verkavelde scène. Teksten over theater (1965-2001) en verschijnt met zijn kritische teksten regelmatig in de vakliteratuur zoals in o.a. Toen Theater een Strijd was (2001). Zijn laatste boekpublicatie dateert van 2005 en is getiteld Ongeschminkt. Gesprekken over theater (1972 - 2000). Vandaag schrijft Arteel nog kritieken op zijn eigen webstek Theatermaggezien.
Download de transcriptie van het interview
“Theater als ontmoetingsplaats was een gevaarlijke plaats.”
Gekend als acteur in films als Congo Express (1989), A hard day´s work (1997), Oesje (1997) en Ex Drummer (2006), ontwikkelde acteur-regisseur François Beukelaers zich in de jaren zestig tot een graag gezien acteur in de Koninklijke Vlaamse Schouwburg (KVS).
Bij Toneel Vandaag speelde hij mee in Thyestes (1966) een regie van auteur Hugo Claus. In dezelfde periode was Beukelaers als regisseur verbonden aan de Antwerpse KNS, waar hij bij voorkeur werkte met jonge acteurs en onder meer de veelbesproken voorstelling Kleine Malcolm en zijn strijd tegen de Eunuchen creëerde. Buiten Brussel en Antwerpen was Beukelaers ook actief bij de Gentse gezelschappen Arca en Victoria.
Download de transcriptie van het interview
“De alchemie van het theater.”
Van jongs af gepassioneerd door het toneel, wist Tone Brulin, toneelauteur en -regisseur, al snel dat hij van theater zijn beroep zou maken. In de Studio van het nationaal Toneel werd hij klasgenoot van Julien Schoenaerts en Dora Van der Groen.
Gefascineerd door de Franse theatermaker Antonin Artaud vertaalde Brulin als eerste diens geschriften naar het Nederlands. Saboo (1969), een voorstelling die hij regisseerde bij Théâtre Laboratoire Vicinal, lag in de lijn van Artauds ideeën over theater. In 1953 stichtte hij het Nederlands Kamertoneel (NKT) om de hegemonie van de KNS in Antwerpen te breken. De jonge Brulin werd berucht met zijn anti-apartheidsstuk De Honden (1960). In Potopot (1961) klaagt Tone Brulin het Europese kolonialisme en het schrijnende racisme aan. Met In de aanwezigheid van de minister (1966) uit hij zijn kritiek op het toenmalige Belgische politieke beleid.
Steeds op zoek naar herbronning maakte Brulin theater in Zuid-Afrika, Curaçao en Maleisië. Ergens onderweg van het ene continent naar het andere raakte hij bevriend met Jerzy Grotowski en Eugéno Barba. In de jaren 1980 keert Brulin naar Antwerpen terug en begint samen met zijn vrouw, Siti Fauziah, TIE3, het Theater van de Derde Wereld in Europa.
Download de transcriptie van het interview
“Het is moeilijk om te zeggen wat er preciés gebeurde in de jaren 1960.”
Op de Studio van het nationaal Toneel kreeg Dirk Buyse de kunde van het regisseren onderricht door Rudi Van Vlaenderen. Maar Buyse acteerde ook graag. Nog tijdens zijn studententijd speelde hij bij theater Arca te Gent in Kaspar van Handke en Phyloctetes van Müller. Net als Tuur De Weert speelde acteur Dirk Buyse mee in het eindwerk van Franz Marijnen: Fando en Lis (1968).
“Fando en Lis, gemaakt nog voor Marijnen naar Polen vertrok, was een opvallende voorstelling omdat ze zo fysiek was. Het was een ware uitputtingsslag, een voorloper eigenlijk van wat Fabre nu doet. Ik weet nog goed dat ik na de voorstelling, die maar 1u duurde, afgepeigerd was. Ik moest steeds even gaan liggen om op adem te komen.”
Buyse vertolkte in 1971 de hoofdrol in De Spaanse Monnik Ambrosio, een jeugdwerk van Jan Decorte. Samen met zijn leermeester Van Vlaenderen en Ronny Commissaris verzorgde Buyse van 1975 tot en met 1985 de artistieke leiding van het Brussels Kamertoneel, het latere Brabants Kollektief voor Theaterprojekten (BTK). Dirk Buyse staat nog steeds op de planken in voorstellingen van o.a. De Tijd.
“Het vuil theatertje.”
Het Gentse Keldertheater Arca, opvolger van Toneelstudio ´50, heeft tot 1992 ruim twintig jaar onder het leiderschap van Jo Decaluwe gestaan. Als regisseur maakte Decaluwe midden jaren zestig deel uit van de nieuwe en jonge artistieke leiding van Arca, dat toen in een artistieke crisis zat.
De pas afgestudeerde kersverse ploeg gaf prioriteit aan een eigenzinnige en eigentijdse dramaturgie en bevruchtte het Gentse kamertoneel met ideeën van de buitenlandse avant-garde. Artaud, Living Theatre, Grotowski en happeningscènes vonden hun weg naar het Gentse podium. Door de introductie van steeds nieuwe toneelteksten vervulde Arca een belangrijke en vernieuwende functie binnen de Vlaamse scène.
“Een fantastische periode, maar een zwaar gevecht.”
Eric De Kuyper schreef in de jaren zestig recensies voor de Brusselse krant La Libre Belgique. Zijn interesse ging uit naar het buitenlands theater en de vernieuwingen die daar te zien waren. Ook Théâtre national vroeg hem verslag uit te brengen van wat er in het buitenland, en vooral in Duitsland gebeurde.
“Met mijn 2PK-tje ging ik om de twee à drie weken naar Bochum of Keulen. De plotse ontdekking van de Duitse regie gaf een andere kijk op theater. Grote regisseurs deden daar allerlei dingen. Ook opera! En opera was in Duitsland iets levendigs. Opera was daar niet alleen dat suffige ding dat je in de Koninklijke Vlaamse Opera of in de Munt zag.”
Download de transcriptie van het interview
“De grote fysieke inspanning op scène was heel nieuw.”
Nu vooral bekend uit succesvolle tv-series als Recht op Recht en FC De Kampioenen, was Tuur De Weert in de jaren zestig berucht op de Mechelse theaterscène. In het Mechels Miniatuur Theater (MMT) werkte hij samen met regisseur Franz Marijnen aan producties als Gered en Fando en Lis, een voorstelling die reeds blijk gaf van Marijnens interesse voor Grotowski.
“In 1968 hebben we met Marijnen Gered van Bond gemaakt. Daar is in de plaatselijke pers toen groot schandaal van gemaakt! Met die baby die werd gestenigd... Ja, in die periode werden nogal wat heilige huisjes ingetrapt en taboes doorbroken: braken op scène, eten van mensenvlees, ... allemaal heel grensverleggend.”
Download de transcriptie van het interview
“Theater ontstaat vanuit mensen die hier en nu leven”
Vandaag bekend als acteur in tv-series als Flikken (Taverniers), Recht op Recht (Xavier Dufour) en Witse (Eugène Lenaerts), begon Hugo Van den Berghe zijn carrière in de jaren zestig.
Op zijn 23ste vertolkte hij het koor in de Senecaanse tragedie Thyestes, die in 1966 werd vertaald en geregisseerd door Hugo Claus. Thyestes oogstte grote verontwaardiging omdat hoofdrolspeler Rudi Van Vlaenderen (Thyestes) zijn verdriet uitbraakte over de bebloede overblijfselen van zijn vermoorde zonen. Tegelijk was Thyestes één van de weinige Vlaamse voorstellingen die toen in het buitenland op succes kon rekenen. Claus verwerkte in Thyestes zijn interpretatie van de inzichten van Artaud en dwong daarmee vriend en vijand tot reflectie.
Van den Berghe stapte in 1966 Van Toneel Vandaag over naar het NTG, waar hij van 1990 tot 1996 artistiek directeur werd.
Download de transcriptie van het interview
“We zijn aangehouden!”
Jaak Van de Velde is nog steeds actief als lichtontwerper en regisseur. Een voorstelling die hij allicht nooit zal vergeten is En ook de bloemen werden geboeid (Arrabal), dat in 1971 werd opgevoerd in Theater Arena te Gent. Hij startte als lichtontwerper van die voorstelling, maar eindigde in zijn blootje op scène als invaller voor één van de acteurs. Vanuit de zaal gefotografeerd door de BOB hield hij er levenslang een strafblad aan over: openbare zedenschennis!
Download de transcriptie van het interview
“Theater is een leerschool voor het leven.”
Voormalig professor Theaterwetenschappen aan de universiteit van Gent, Jaak Van Schoor, raakte zoals zovele anderen geboeid door het theater via zijn kennismaking met Herman Teirlinck.
“Ik was nog jong toen ik Herman Teirlinck ontmoette, maar ik kan je vertellen, die man kon jonge mensen obsederen.”
Dankzij Jaak Van Schoor werd de stoel Theaterwetenschappen in de Gentse universiteit ondergebracht bij de Kunstwetenschappen. Zo verwezenlijkte Van Schoor de droom van Teirlinck, die al sinds 1954 werkte aan een plan voor een afdeling Theaterwetenschappen op de Vlaamse universiteiten.
Download de transcriptie van het interview
“Ik maak geen kunstgeschiedenis, ik maak theater.”
Regisseur Walter Tillemans zette in de jaren vijftig zijn eerste theaterpassen bij De Nevelvlek. Gebeten door de microbe koos Tillemans even later voor de Studio van het nationaal Toneel waar hij bevriend raakte met Herman Teirlinck en Fred Engelen.
In dezelfde periode ontdekte Tillemans het werk van Bertolt Brecht, dat hij in de jaren zestig vertaalde naar de Vlaamse podia. Verbonden aan de KNS regisseerde hij De goede Mens van Sezuan (1962), Het leven van Galilei (1966) en de controversiële voorstelling Man is Man (1968) waarin hij, vlak vóór de legendarische meimaand, een resoluut anti-Amerikaans standpunt innam. Eerder, in 1965, kreeg hij het met De Plaatsbekleder al aan de stok met de conservatieve (katholieke) pers.
Download de transcriptie van het interview
“Als je lang genoeg naar iets kijkt, wordt het vanzelf revolutionair.”
Het eeuwige enfant terrible van de Vlaamse scène begon in de jaren zestig zijn carrière als toneelschrijver. In zijn eerste stuk Kosmika (1969) herkende het theaterveld een vertaling van de ideeën van Antonin Artaud.
In 1971 ging zijn tweede stuk Het spel van de Spaanse monnik Ambrosio waarin de heilige monnik door zijn liefde voor de maagd tot wanhoop wordt gedreven, met de duivel heult, door de duivel wordt bedrogen en ter dood gebracht in première in Keldertheater Arca. Met deze ellenlange titel gaf Decorte aan dat zijn stuk kaderde in de traditie van de mirakel- en abele spelen uit de Vlaamse Middeleeuwen.
Download de transcriptie van het interview
Naakte lichamen, masturbatie op scène, Bert Verminnen hield de pit erin. Als pupil van Grotowski was hij een erg fysiek acteur, die indruk maakte met Inferno. Onbekende Bewoners, een voorstelling op locatie in Jette, kon op grote persbelangstelling rekenen. Nachtelijke Bezoekers oogstte dan weer een politie razzia.
Door het vroegtijdige overlijden van Bert Verminnen verloor de toenmalige scène een enthousiast en veelbelovend theatervernieuwer.
Deze kranige dame wordt geëerd als de moeder van de Vlaame dans. Zij maakte het professionele Vlaamse ballet, in de eerste helft van de 20ste eeuw geheel onderschikt aan de opera, tot een volwaardige en onafhankelijke kunstvorm. Het Stedelijk Instituut voor Ballet in Antwerpen (1961) en het dansgezelschap (Koninklijk) Ballet van Vlaanderen (1969) zijn kinderen van Jeanne Brabants. Haar verwezenlijkingen hebben de groei en bloei van de Vlaamse dans vanaf de jaren tachtig in grote mate mee mogelijk gemaakt.
Na zijn studies aan de Studio van het National Toneel, later Studio Herman Teirlinck, debuteerde Decleir als Coriolanus in de gelijknamige regie van Walter Tillemans, die zich liet inspireren door Coriolan (1966) van het Berliner Ensemble. Eveneens in regie van Tillemans speelde Decleir als jonge knaap mee in de controversiële Brecht-productie Man is Man (1968).
Hij behoorde enkele jaren tot het vaste gezelschap van de Antwerpse Koninklijke Nederlandse Schouwburg (KNS), en later tot de Internationale Nieuwe Scène (INS), waar hij schitterde in Mistero Buffo van Dario Fo.
“Wij hadden een heilige overtuiging.”
Frans Redant studeerde dramaturgie aan het RITCS in Brussel, was 26 jaar dramaturg bij het in 1965 opgerichte NTG en bekleedde van 1994 tot 1998 de functie van directeur van de Koninklijke Nederlandse Schouwburg (KNS) in Antwerpen, nu het Toneelhuis. Frans Redant vertaalde theaterstukken voor het NTG, het Toneelhuis, theaterMalpertuis, Theater De Korre en het Mechels Miniatuur Teater (MMT).
Download de transcriptie van het interview