Geschiedenis is wat er aan persoonlijke herinneringen van overblijven.
Van ruim dertig interviews met vooraanstaande getuigen over hun werk in de jaren tachtig, vindt u hier al een paar trailers. Klik op de foto’s en je krijgt telkens een ander verhaal.
Integrale transcripties van de interviews volgen binnenkort. In afwachting kan u zich verlustigen aan alle uitgeschreven interviews over de jaren zestig en zeventig.
“Er is een hele generatie opgestaan die - gedeeltelijk uit vrije keuze, gedeeltelijk gedwongen - ging repeteren buiten de grote huizen: in hangars, kelders en zolders.”
Gentenaar Arne Sierens studeerde in 1981 als regisseur af aan het RITCS en startte zijn carrière in Arca, NTG en Arena. Dat hij in deze huizen niet vond wat hij zocht, leidde in 1982 tot de oprichting van een eigen gezelschap met Jan Leroy: De Sluipende Armoede. In 1984 waagde Sierens zich aan de creatie van een opera gebaseerd op het Nero-album Het Rattenkasteel, wat veel reactie uitlokte. Zijn eigen stijl ontplooide zich ten volle in De soldaat-facteur en Rachel, dat een volkse inspiratie combineerde met invloeden van de avant-garde. Vandaag realiseert Sierens zijn werk bij Compagnie Cecilia.
Download de transcriptie van het interview
“Ik ben altijd geïnteresseerd geweest om zoveel mogelijk strategieën te ontwikkelen in de relatie tussen dans en muziek. Ik heb heel veel ideeën gepikt en ik ben altijd omringd geweest door fantastische muzikanten.”
Na haar opleiding aan MUDRA debuteerde Anne Teresa De Keersmaeker in 1980 met de voorstelling Ash. Beïnvloed door haar verblijf en studies in New York, creëerde ze haar tweede productie Fase, four movements to the music of Steve Reich, waarmee ze internationaal doorbrak. De eerste voorstelling van Anne Teresa De Keersmaeker met haar eigen gezelschap, Rosas, was de voorstelling Rosas danst Rosas met muziek van Thierry De Mey en Peter Vermeersch. Essentieel in deze voorstelling is de relatie tussen dans en muziek, wat een belangrijk element zal blijven in haar verdere werk.
Download de transcriptie van het interview
“Als ik erover nadenk, creëer ik toch altijd weer een vorm van visceraal theater, animistisch, volks, gestileerd, fysiek. Dat was theater voor mij toen, en dat is het nog altijd.”
Dirk Opstaele studeerde begin jaren ‘80 aan de Internationale Theaterschool van Jacques Lecoq in Parijs. Daarna werkte Opstaele in de Opéra de Lyon, waar hij de verschillende mogelijkheden van muziektheater ontdekte. Met de oprichting van Ensemble Leporello in 1986 wilde Opstaele theater creëren met aandacht voor de muzikaliteit van taal en de ritmische mogelijkheden van het lichaam. Als acteur, regisseur, auteur en choreograaf verdedigt hij een maximaal coloriet met een minimum aan middelen.
Download de transcriptie van het interview
“Ik zeg het eerlijk: met een deel van de opbrengst van het Mechels Miniatuur Theater, dat toen ontzettend populair was en voor afgeladen volle zalen speelde, konden we de marge betalen.”
Toen Eric Antonis in 1972 begon in cultuurcentrum De Warande in Turnhout, werd dat het begin van een uitdagend programmeerbeleid dat van De Warande hét CC van Vlaanderen zou maken. Veel vernieuwend Nederlands werk, maar ook de jonge Vlaamse tachtigers kwamen in Turnhout thuis. Van 1988 tot 1990 was Antonis directeur van het Zuidelijk Toneel in Eindhoven, daarna werd hij intendant van Antwerpen ’93 en Antwerps cultuurschepen (tot 2004, voor CD&V). Onder zijn bestuur transformeerde de KNS in 1998 tot het Toneelhuis.
Download de transcriptie van het interview
“De jaren ’80 is eigenlijk het gevolg van ’69. Het heeft volgens mij tien jaar geduurd voor de verandering zichtbaar werd. In de jaren ’80 zijn een aantal mensen recht gestaan die een nieuwe ontwikkeling in theater wilden en konden realiseren.”
Na het verlaten van de groep Radeis stichtte Eric De Volder het Etherische Strijkersensemble Parisiana. Die groep verenigde verschillende professionele en amateurkunstenaars met zin in absurdistische performances en totaalspektakels. Eind jaren ’80 richtte De Volder samen met Guido Claus, Ingrid De Vos en Dirk Pauwels de vzw Kunst is Modder/ Het Theater van de Niets op, dat in 1992 werd omgedoopt tot Toneelgroep Ceremonia/KIM. Schilderachtigheid en carnavaleske volkspersonages typeren De Volders werk.
Download de transcriptie van het interview
“Ik herinner me de meest bizarre manieren om onze zalen te gebruiken, en zo ons project gaande te houden: presentaties van breimachines, bodybuildingsshows, huwelijksfeesten...”
Wie Vooruit zegt, zegt Erik Temmerman. Op 1 april 1982 tekende hij met de socialistische coöperatieve beweging de erfpachtovereenkomst voor het gebruik van het immense gebouw. Dat leek toen meer op een openbare duiventil: het heeft jaren geduurd voor alle vervallen zalen in orde raakten. Temmerman bezielde het project, en bood een hele generatie Gentse kunstenaars repetitieplek en een artistieke thuis. Pas in 1989 volgden daar de eerste subsidies voor. Temmerman bleef directeur van Vooruit tot 2006, goed voor bijna vijfentwintig jaar.
Download de transcriptie van het interview
“Zonder dat ze daar expliciet mee bezig waren, ontdekten theatermensen toen een nieuw soort mens: de mens die wij nu zijn. De vrijheid die we vandaag kennen, hebben zij bevochten.”
Als professor aan de vakgroep Latijn en Grieks van de Gentse Universiteit werd Freddy Decreus vanaf de jaren tachtig een gegeerde gesprekspartner voor regisseurs die klassieke tragedies aanpakten. Vanzelf ontstond een passie voor het hele plaatje van de podiumkunsten, wat van Decreus een begenadigd verteller en beschouwer maakt. Hij publiceerde onder meer over ritueel theater en het werk van Eric De Volder en zetelt vandaag nog steeds in de raad van beheer van NTGent, een huis waarmee hij als toeschouwer een lange band heeft.
Download de transcriptie van het interview
“Ik heb altijd geprobeerd bij iedere voorstelling iets te maken wat ik nog nooit had gemaakt en nog nooit had gezien. Ik ben niet op zoek geweest naar één bepaalde formule om toneel te maken. Elke keer moet je de sleutel opnieuw uitvinden.”
Na zijn regieopleiding en studies rechten realiseerde Gerardjan Rijnders diverse eigen creaties, tot hij gevraagd werd om samen met Paul Vermeulen Windsant en Ulrich Greiff de leiding te nemen van toneelgroep Globe. Bij Globe bracht hij twee inspiratiebronnen samen: de invloed van het Duitse repertoiretoneel en het experimentele theater dat hij bij Mickery had gezien. Na zijn vertrek bij Globe in 1985 ging Rijnders regisseren bij het Publiekstheater en de Toneelschuur, waarna hij artistiek leider werd van Toneelgroep Amsterdam.
Download de transcriptie van het interview
“Na het idealisme van de jaren ’60-’70 om de wereld te kunnen veranderen, zaten we met een generatie die daar niet meer in geloofde. Ze wilde choqueren, op een tamelijk naïeve manier.”
Guy Cassiers’ eerste voorstellingen waren vooral gericht op een jeugdig publiek. Zo creëerde hij in 1986 Daedalus met jongeren met een handicap. In zijn beginperiode was het thema van de buitenstaander belangrijk, wat onder meer leidde tot Kaspar, naar Peter Handke. Toen Cassiers in 1987 artistiek leider van Oud Huis Stekelbees werd, brak hij dit gezelschap open tot een plek waar jonge makers zonder structuur plek kregen om eigen voorstellingen te ontwikkelen en in contact te komen met andere makers. Precies zo leidt Cassiers vandaag ook het Toneelhuis.
Download de transcriptie van het interview
“Het Kaaitheater werkte samen met artiesten in Vlaanderen die nog relatief jong waren en zeker nog niet tot een geaccepteerde generatie behoorden. Wij wilden die artiesten een legitimiteit geven door internationaal receptief werk.”
Als geboren organisator richtte Hugo De Greef de vzw Schaamte op, samen met artiesten als Anne Teresa De Keersmaeker. Hij lanceerde ze internationaal, tot in Los Angeles toe. In Brussel gaf De Greef intussen steeds meer weerklank aan de tweejaarlijkse Kaaitheaterfestivals, waar buitenlandse groepen als de Wooster Group optraden naast binnenlandse makers als Jan Fabre. In 1987 werden de festivals omgevormd tot een vaste structuur, het Kaaitheater. Dat ontpopte zich tot het vlaggenschip van de kunstencentra, zeker voor internationaal werk. Vandaag leidt De Greef het Brusselse Flagey.
Download de transcriptie van het interview
“Ik heb theater altijd behandeld in deze tijd, nooit in de geschiedenis. Ik heb stukken uit de geschiedenis opgedolven, maar heb ze altijd vertaald naar vandaag. Dat was geen bewuste keuze, het zat mij gewoon ingebakken.”
Vanaf 1978 was Jan Decorte, toen al tien jaar werkzaam als regisseur, docent aan het Koninklijk Conservatorium Brussel. Kort daarna werd hij artistiek leider van Het Trojaanse Paard, dat in de jaren ’90 Jan Decorte & Cie zou gaan heten. Hij schreef veel teksten zelf en bewerkte ook Shakespeare. Belangrijk in Decortes carrière is het stuk Maria Magdalena (1981), dat door zijn brutale omgang met repertoire wordt gezien als een absolute breuk. Ook het werk van Heiner Müller, onder meer De Hamletmachine, oefende op deze voorganger van heel veel tachtigers een sterke invloed uit.
Download de transcriptie van het interview
![]() |
“Belangrijk in mijn werk was het idee van het biologische acteren: de brug van ‘act’ naar ‘acting’. Acteurs en performers moesten dingen doormaken, een besef krijgen van de biologische staat van hun lichaam.”
Na de jaren zeventig, waarin Jan Fabre vooral performances bracht, maakte hij in 1982 zijn intussen legendarische theatervoorstelling Het is theater zoals te verwachten en te voorzien was. Dit acht uur durende stuk doorbrak alle conventies. De voorstelling bevatte geen verhaal, geen personages, en bestond uit constante herhalingen van alledaagse handelingen, waardoor de kijker gedwongen werd anders te kijken naar theater. Internationaal brak Fabre door met De macht der theaterlijke dwaasheden, waarvoor hij in 1984 uitgenodigd werd op de Biënnale van Venetië.
Download de transcriptie van het interview
“Dans, beeldende kunst, acteren, theater, licht waren allemaal autonome kunstsegmenten, die ik evenwaardig wou hanteren. Die cross-over moet wel ontstaan uit een noodzaak, iets wat je nodig hebt om bepaalde dingen te kunnen zeggen.”
Na zijn studies schilderkunst aan de Kunstacademie van Gent bracht Jan Lauwers een groep mensen samen in het Epigonenensemble, wat in 1981 het Epigonentheater zlv werd. Lauwers bracht met dit collectief zeer visuele voorstellingen, waarin taal niet op de voorgrond stond. In 1985 volgde het spectaculaire Incident, dat meteen ook het einde van het Epigonentheater inluidde. Daarna richtte Lauwers met Grace Ellen Barkey Needcompany op. Hun eerste producties, zoals Need to know, waren nog zeer beeldend, maar later won het verhalende aspect weer aan belang.
Download de transcriptie van het interview
“Ik heb het idee dat in het begin van de ’80-er jaren het verschil tussen ‘experimenteel’ en ‘traditioneel’ niet meer zo nauw werd getrokken. Enkel de repertoiregezelschappen wisten niet goed meer wat ze moesten doen.”
Na zijn acteer- en regieopleiding aan de Amsterdamse Toneelschool deed Jan Joris Lamers verschillende buitenlandse stages en was hij betrokken bij het ontstaan van het Werkteater en het Onafhankelijk Toneel. In 1981 werd hij medeoprichter van Maatschappij Discordia, een collectief in navolging van de vele collectieven uit de jaren ’60 en ’70, maar wel met een niet eerder geziene ‘onderkoelde’ speelstijl. Discordia richtte zich op bestaande teksten, zoals An Ideal Husband van Oscar Wilde. Talrijk zijn de makers die Lamers en Discordia noemen als een van hun inspiratiebronnen.
Download de transcriptie van het interview
“Kenmerkend voor de Belgische choreografen van de jaren ‘80 zijn de stijlbreuken in hun werk. En als het woord een bepaalde boodschap beter kon dienen dan de beweging, werd het woord gebruikt.”
Katie Verstockt volgde een dansopleiding bij An Slootmaekers, waar ze in contact kwam met verschillende soorten danstechnieken. Tegelijk begon ze over dans te schrijven. Als freelance dansjournaliste voor Knack volgde ze vanaf 1978 intensief de vernieuwing in het Vlaamse en internationale dansgebeuren. Ook in Ons Erfdeel, Etcetera en meerdere buitenlandse magazines verschenen beschouwingen van haar hand. Vandaag geeft Verstockt les op diverse scholen.
Download de transcriptie van het interview
“Als er in die tijd geen werk was voor ons in de CC’s of de bestaande theaters, dan deed je het maar zelf, op hoop van zegen. Dan kreeg je, als je wat geluk had en hard je best deed, een tijdelijke job in de sector, maar daar ging het eigenlijk niet om.”
Klaas Tindemans doctoreerde in de Rechtsgeleerdheid en schreef zijn proefschrift over recht en tragedie. In 1982, na zijn studies, werd hij universitair medewerker bij ‘t Stuc. Vandaar ging het naar De Munt, waar Gerard Mortier veelbelovende medewerkers zocht voor zijn artistieke vernieuwingbeleid. In die jaren schreef Tindemans ook over theater voor De Standaard en Etcetera, met een duidelijke voorkeur voor het nieuwe werk van de jonge garde. In 1987 werd Tindemans productiedramaturg bij Ivo Van Hove, vandaag doet hij dramaturgie voor Bronks en De Roovers.
Download de transcriptie van het interview
“Voor mij is de kanteling van de jaren ’80 de toestemming om theater te mogen maken en te spelen, om aanvaard te worden door het landschap zelf, door de acteurs, door het artistieke deel.”
Tijdens zijn opleiding aan het Conservatorium van Antwerpen trof Lucas Vandervost Sam Bogaerts, met wie hij in 1978 deelnam aan het Cameretten festival. Datzelfde jaar nog richtten ze met Luk Perceval, Johan Van Assche en Warre Borgmans Het Gezelschap van de Witte Kraai op. Karakteristiek voor hun werk was het ‘denkend spreken’, een groot verschil met de gangbare acteerstijl in de stadstheaters. Toen de Witte Kraai in 1987 fuseerde met Akt Vertikaal, kreeg Vandervost met Ivo Van Hove de leiding over wat toen De Tijd ging heten.
Download de transcriptie van het interview
“Veel van mijn generatiegenoten hebben gezocht naar andere werkmethoden. We wisten één ding: hoe we het niet wilden. Met het alternatief hadden we geen ervaring. Dus las iedereen een boek dat hij interessant vond, en begon van daaruit te experimenteren.”
Luk Perceval volgde de acteuropleiding aan het Conservatorium van Antwerpen en was van 1980 tot 1984 vast verbonden aan de KNS. Uit onvrede met de starre gang van zaken in het ensemble richtte hij in 1984 samen met Guy Joosten de Blauwe Maandag Compagnie op, wat historische producties als Wilde Lea opleverde. Percevals vrije omgang met klassiekers leverde snel een groot publiek op. Die aanhang verzilverde Perceval in 1998 bij de oprichting van het Toneelhuis, dat hij in 2005 verliet voor regiewerk in Duitsland. Vandaag is hij verbonden aan het Thalia Theater in Hamburg.
Download de transcriptie van het interview
“De belangrijkste mythe is die van de totale vernieuwing. Het lijkt me niet onbelangrijk om ook de continuïteit te zien tussen het internationale theateraanbod en dat in Vlaanderen.”
Professor Luk Van den Dries studeerde Germaanse filologie aan de VUB en werd er na zijn studies gevraagd voor een project over Politiek Theater, samen met Marianne Van Kerkhoven en Dina Hellemans. Hij wijdde zijn doctoraat aan de opvoeringgeschiedenis van Heiner Müller in Vlaanderen, waarna hij aan de Antwerpse Universiteit assistent werd van theaterbeschouwer Carlos Tindemans, die hij later opvolgde. Van den Dries zat ook jarenlang in de redactie van theatertijdschrift Etcetera.
Download de transcriptie van het interview
Eind jaren zeventig was Pol Dehert actief als freelance regisseur tot hij begin jaren ’80 huisregisseur en artistiek leider van Arca werd. Tijdens die periode regisseerde hij samen met Herman Gilis de voorstelling Starkadd, een unieke interpretatie van een Vlaamse Klassieker. Na Arca regisseerde hij als artistiek leider bij Noordelijke Theatervoorziening onder andere Edmond en Regarde les femmes passer.
Download de transcriptie van het interview
“Wij werden beïnvloed door de nieuwe Duitse dramaturgie en al zijn grote regisseurs: Peter Stein, Peter Zadek. We kenden ze eigenlijk alleen maar van verhalen, maar toch heeft ons dat geïnspireerd.”
Sam Bogaerts studeerde voordracht aan het Conservatorium van Antwerpen en richtte in 1978 met studiegenoot Lucas Vandervost Het Gezelschap van de Witte Kraai. Hij regisseerde er stukken als Kwartet en Who’s Afraid of Virginia Woolf, voorstellingen die zich onderscheidden door hun intuïtieve en speelse aanpak. Ook Het park (1984), een regie bij de Mannen van den Dam, maakte grote indruk. In 1987 verliet Bogaerts de Witte Kraai en werd hij lid van de artistieke leiding van Toneelgroep Amsterdam, toen onder Gerardjan Rijnders. Vandaag leidt hij het Gentse Conservatorium.
Download de transcriptie van het interview
“Ik zou ze niet willen tellen, al die gratis arbeidsuren die in de opstartende kunstencentra gestoken zijn.”
In de vroege jaren tachtig leerde Theo Van Rompay, vandaag adjunct-directeur van de Brusselse dansschool P.A.R.T.S, de podiumkunsten van binnenuit kennen als programmator van ’t Stuc, toen nog Leuvens ‘Studentencentrum’. Hij was in die pioniersjaren een tijdlang de enige betaalde kracht en zette – tegen de zin van de studentenbeweging in – mee de overgang naar een ‘podiumkunstenhuis’ door. Van Rompay zag de eerste Klapstuk-festivals mee vorm krijgen: het begin van zijn grote expertise in hedendaagse internationale dans.
Download de transcriptie van het interview
“De jaren ’80 was een zoektocht naar nieuwe vormen, een nieuwe dramaturgie. We maakten maatschappijkritisch of betrokken theater zonder de opgeheven vuist van het politieke theater.”
Viviane De Muynck bekeerde zich relatief laat tot het theater. Na een opleiding aan het Conservatorium van Brussel, onder Jan Decorte, speelde ze vanaf 1980 bij het collectief De Mannen van den Dam in voorstellingen als Het Park en Het Laxeermiddel. Bij De Witte Kraai won ze een prijs voor haar rol in Sam Bogaerts’ bewerking van Who’s Afraid of Virginia Woolf. Nadien besloot De Muynck naar Nederland te trekken, voor Maatschappij Discordia. Ze speelde er onder meer in Kras, Ubu Roi en Maat voor Maat.
Download de transcriptie van het interview
“Je wist dat het theater anders moest dan wat er toen te zien was, maar er was geen referentie. Alles moest geboren worden, alles moest herdacht en heruitgevonden worden. Die attitude heeft mij getekend. We gingen zoeken naar het oorspronkelijke.”
Willy Thomas begon in 1979 zijn opleiding aan het Koninklijk Conservatorium van Brussel, waar Jan Decorte als docent een grote inspiratiebron werd. Na zijn opleiding speelde hij onder Decorte een tijd bij Het Trojaanse Paard, maar in 1984 besliste hij om met Guy Dermul een eigen gezelschap op te richten. Met Dito’Dito verwezenlijkte hij in de jaren ‘80 onder meer de trilogie Frans/z, Tarszan en Plots/z. Vanaf de jaren ’90 werd de meertalige, multiculturele stad Brussel een centraal thema van het collectief. Vandaag is Thomas lid van de artistieke kern van KVS.
Download de transcriptie van het interview
“Dans was voor mij altijd een medium om iets uit te leggen. Zoals woorden gebruik ik dans om iets te vertellen, iets over te brengen naar je publiek. Het moet een communicatiemiddel zijn, niet iets wat één richting uitgaat.”
Wim Vandekeybus begon zijn carrière als performer bij Paul Peyskens en Jan Fabre. Hij speelde mee in De macht der theaterlijk dwaasheden, waarmee hij twee jaar toerde. Een jaar later besliste Vandekeybus een eigen gezelschap op te richten, Ultima Vez. Zijn debuut, What the Body Does Not Remember, creëerde hij in 1987 met een reeks jonge dansers uit workshops her en der. Risico, herhaling en spectaculaire bewegingen gaven de voorstelling een heel eigen uitstraling, die al snel voor een internationale doorbraak zorgde. Vandekeybus leidt Ultima Vez tot op vandaag.
Download de transcriptie van het interview